Het Schoonhovense stadsteken

Merktekens op de onderzijde van het oudste stuk 'Schoonhovens' zilver'. Links het teken van de onbekende meester 'twee rozen met een ster', het stadteken, de bekende vier klimmende leeuwen, en uiterst rechts de 'jaarletter'.

Merktekens op de onderzijde van het oudste stuk ‘Schoonhovens’ zilver’. Links het teken van de onbekende meester ‘twee rozen met een ster’, het stadteken, de bekende vier klimmende leeuwen, en uiterst rechts de ‘jaarletter’.

In de titels van boeken over zilverwerk komt vaak de naam van een stad voor. In de afgelopen tien jaar verschenen onder andere Harlinger Zilver, Groninger Keur, Deventer Zilver, Goud- en zilversmeden in Kampen, Zwols Zilver, Zilver en zilversmeden uit de baronie van Breda, Dokkumer, Kollumer en Amelander Zilver, Amsterdams Goud en Zilver en vorig jaar nog Haags Goud en Zilver. Maar wat bindt een stuk zilverwerk nu specifiek aan een stad?

Sommige kunsthistorici zeggen dit te kunnen aflezen aan de stijl, aan de ornamentiek of een zekere mate aan vakmanschap.
Weer anderen vinden dat de geografische context van een voorwerp wordt bepaald door de eigenaar of door graveringen. Toch is er bij alle bovenstaande boeken maar één kenmerk dat bepalend is: het stadsteken. Het stadsteken is het keurteken dat vertelt op welke keurkamer het goud- of zilverwerk gekeurd werd. Van alle keurtekens is het stadsteken het oudst. Het werd voor het eerst in 1260 voorgeschreven in Parijs als garantie van het gehalte zoals dat door het stadsbestuur was vastgelegd in de wet. Omdat het stadswapen er in was verwerkt, kreeg dit teken na de introductie van de andere keurtekens de naam stadsteken.
Naar voorbeeld van Parijs verordonneerd de Franse koning Filips III de Stoute (1245-1285) in 1275 dat ook de overige Franse steden het gekeurde goud- en zilverwerk met het stadsteken zouden voorzien. Gedurende de daaropvolgende eeuw volgden verschillende Europese steden het Franse voorbeeld en gebruikten de belangrijkste Vlaamse en Duitse steden vanaf de dertiende en veertiende eeuw een stadsteken.

Het oudst bekende voorwerp met het Schoonhovense stadsteken. Onbekende meester met 'twee rozen en een ster", circa 1632. Museumgalerij Schoonhovens Edelambachtshuijs

Het oudst bekende voorwerp met het Schoonhovense stadsteken. Onbekende meester met ‘twee rozen en een ster”, circa 1632. Museumgalerij Schoonhovens Edelambachtshuijs

In het gebied dat later bekend werd als Nederland, gebruikte het smedengilde van Utrecht voor het eerst het stadstekens (1382). In de daaropvolgende eeuwen volgden ook andere Nederlandse steden dit voorbeeld. In Schoonhoven, de Zilverstad aan de Lek, duurde het tot 1629 voordat het een eigen stadsteken kreeg.Op 30 april van dat jaar organiseerden de Schoonhovense goud- en zilversmeden zich in een eigen gilde en mochten zij hun werk keuren naar de bepalingen zoals die waren vastgelegd in de ordonnanties van Filips de Schone uit 1502.

Met de ingebruikname van het Schoonhovense stadsteken is voor het eerst formeel sprake van Schoonhovens zilver. Het oudste voorwerp dat die kwalificatie mag dragen is een Avondmaalsbeker uit circa 1632, die tegenwoordig is te bezichtigen in het Edelambachthuys aan de Haven. Hoe het Schoonhovense stadsteken er in die tijd uitzag, is in de volgende aflevering te zien.

Literatuur: René Kappers / Janjaap Luijt ‘Het Schoonhovense Goud- en Zilversmedengilde: De Gildenbrief anno 1629! De jaarletters sinds 1632? Verslag van een zoektocht’, in: Historische Encyclopedie Krimpenerwaard 24 (1999) 65-90.

Janjaap Luijt (1966) is freelance publicist en levert manuscripten aan culturele instellingen en bedrijven. Vaak behandelen zijn artikelen de munt- en penningkunde of het goud- en zilversmidsambacht. Voor belangstellenden verzorgt Janjaap Luijt cursussen en lezingen over munten, archiefonderzoek en keurtekens op goud en zilver. Van zijn hand verschijnen regelmatig bijdragen in de tijdschriften Edelmetaal en SilverMagazine. Daarnaast is hij hoofdredacteur van het tijdschrift De Beeldenaar. Binnenkort verschijnt van zijn hand Het Zilverlexicon voor Nederland en België. Bezoek ook zijn website: http://www.silverresearch.org

 

 


Het Weeshuis van Schooonhoven in de Koestraat waar van 1705 tot 1807 de Keurkamer van de goud- en zilversmeden was gevestigd (op de eerste verdieping achter het grote raam) en het stadsteken werd afgeslagen door de deken en keurmeesters. (foto René Kappers).

Het Weeshuis van Schooonhoven in de Koestraat waar van 1705 tot
1807 de Keurkamer van de goud- en zilversmeden was gevestigd (op de eerste verdieping achter het grote raam) en het stadsteken werd afgeslagen door de deken en keurmeesters. (foto René Kappers).


Schoonhovens Zilver 2

In de vorige aflevering vertelde ik dat de stad Schoonhoven in 1629 een eigen stadsteken kreeg voor het keuren van goud en zilverwerk.

In dat jaar organiseerden de Schoonhovense goud- en zilversmeden zich in een zelfstandig gilde en dat het goud- en zilverwerk keurde naar de bepalingen zoals die waren vastgelegd in de ordonnanties van Philips de Schone uit 1502. Met de ingebruikname van het Schoonhovense stadsteken is voor het eerst in formele zin sprake van Schoonhovens zilver.

Het Schoonhovense stadsteken toonde – analoog aan de stadstekens veel andere steden – het stadswapen: een gevierendeeld wapenschild met in elk kwartier een naar rechtsgaande leeuw. Volgens overlevering is dit wapen in 1425 tijdens een beleg van de stad (Hoekse en Kabeljauwse Twisten) genomen van een op de Rotterdammers veroverd vaandel.
Uit de beginjaren van het Schoonhovense zilversmidsgilde zijn vooral grote voorwerpen bewaard gebleven, zoals avondmaalsbekers, terwijl kleine voorwerpen – waar Schoonhoven in latere tijden bekend om zou worden – volledig ontbreken.

Schoonhovens stadsmerk, Jaarletter B=1773, Meesterteken Koppenol, klavertje drie.

Schoonhovens stadsmerk, Jaarletter B=1773, Meesterteken
Koppenol, klavertje drie.

Een van de belangrijkste redenen voor het ontbreken voor klein zilverwerk ligt in het verleden. Veel van deze voorwerpen behoorden tot de gebruiksartikelen van alle dag. Knopen, gespen en haken werden, zo niet dagelijks, dan toch wel wekelijks gedragen en waren sterk aan slijtage onderhevig. Hierdoor liepen zij meer risico versmolten te worden dan grote werken. Een eigenaar zal bij een beschadigd stuk groot zilver eerder geneigd zijn geweest het te laten herstellen, omdat de reparatiekosten verhoudingsgewijs laag waren ten opzichte van het maakloon.

Uit archiefstukken weten we echter dat er in de eerste helft van de zeventiende eeuw in Schoonhoven wel degelijk grote hoeveelheden kleine voorwerpen zijn gemaakt. Zo blijkt de Schoonhovense zilversmid Jan van Schalckwijck, toen hij in 1653 op handelsreis in Antwerpen overleed, een handelsvoorraad van 500 vingerhoeden bij zich te hebben en had een andere zilversmid, Lucas van Velsen, de vervaardiging van zilveren knopen gemechaniseerd. Met het Schoonhovense stadsteken gestempelde knopen of vingerhoeden uit die tijd ontbreken in de mij bekende verzamelingen.

Aanvankelijk kende men slechts één wettelijk zilvergehalte en garandeerde het stadsteken dit gehalte. In de loop van de tijd werden ook andere gehalten toegestaan en ontstonden aparte keurtekens voor de verschillende gehalten. Hoe dat er in Schoonhoven aan toeging, is het onderwerp van de volgende aflevering.

 


holland
Schoonhovens Zilver 3

Het voorgaande deel uit deze serie beschreef hoe in de loop van de tijd verschillende keurtekens hun intrede deden in een poging de kwaliteit van het zilverwerk te garanderen.

Het meesterteken, het stadsteken en de jaarletter waren echter niet voldoende om het zilver met een laag gehalte te onderscheiden van het zilverwerk met een hoog gehalte. Vandaar dat de Staten van Holland halverwege de zeventiende eeuw de Generaliteits Muntkamer een nieuwe ordonnantie voor het goud- en zilversmidsambacht lieten opstellen, waarbij de ordonnantie van Karel V uit 1551 als leidraad diende.

Na veel vergaderen was het 9 december 1661 zo ver en kondigden de Staten van Holland en Westfriesland het ‘Placaet ende Ordonnantie op het onderhoudt van de Keur der Goud ende Silversmeden hier te lande’ af.

Een belangrijke verandering ten opzicht van eerdere wetgeving was de introductie van een keurteken voor zilverwerk van de grote keur (het hoogste gehalte). Dat zilverwerk werd voortaan ook gestempeld met het provinciewapen (een gaande leeuw).

"Provinciale Leeuw", op Amsterdams werk, jaarletter K, meesterteken

“Provinciale Leeuw”, op Amsterdams werk, jaarletter K, meesterteken

Het ‘kleine keur’ zilver werd gemerkt met meesterteken en stadsteken. Deze nieuwe ordonnantie werd officieel van kracht met ingang van het jaar 1663, maar in de eerste maanden van dat jaar moest de muntkamer de goud- en zilversmidsgilden nog geregeld opdragen zich te reguleren naar de wet en duurde het in de meeste steden nog tot het najaar voor de nieuwe regels overal werden nageleefd.

Uiteindelijk bleek de ordonnantie uitermate effectief.

Uit het laatste kwart van de zeventiende eeuw zijn weinig Schoonhovense stukken overgeleverd die voorzien zijn van een volledige serie keurtekens.

Uit bewaard gebleven correspondentie is echter bekend dat in Schoonhoven aan het einde van de zeventiende eeuw de jaarletter nauwelijks en onregelmatig gebruikt werd, omdat ‘er in Schoonhoven toch gene grootwerckers’ meer waren. Het gebruik van de Hollandse leeuw zal in die tijd daarom ook niet erg vaak zijn afgeslagen met het Schoonhovense stadsteken.

Met een voorkeur voor de productie van klein zilverwerk, kwam hier ook in de achttiende eeuw weinig verandering in.

 

 

 



Schoonhovens Zilver 4

Schoonhovens stadsteken 4, slechte stempels.

Zoals al eerder werd verteld in deze reeks, bestond het Schoonhovense stadsteken uit een gevierendeeld wapenschild met in elk kwartier een gaande leeuw. Al deze heraldische figuren moesten terugkeren in een zilverstempel van nauwelijks een 2 cm in doorsnede.

stempels18eeuwIn de tijd van de gilden sneed een stempelsnijder of graveur elk keurstempel afzonderlijk uit een stuk staal. Met een burijn (een scherp soort mesje) bracht die in spiegelbeeld de afbeelding over.
In het geval van het Schoonhovense stadsteken dus vier leeuwen in vier kwartieren. Na het steken van het stempel, werd het staal gehard en was het gereed voor gebruik.

Voor volleerde graveurs of stempelsnijders was het snijden van een goed stempel een redelijk uit te voeren opdracht, maar voor minder ervaren stempelsnijders was het bepaald geen sinecure. Als bovendien de opdracht voor het snijden van een stempel werd opgedragen aan een gildebroeder met verminderde geestelijke vermogens, dan kon het stempel – en dus ook de afslag – een beroerde kwaliteit hebben en in Schoonhoven was dat eind achttiende eeuw het geval. Verzamelaars, antiquairs en museummedewerkers zullen kunnen beamen dat het Schoonhovense stadsteken uit de laatste decennia van de achttiende eeuw vaak niet meer voorstelt dan een wapenschildje met vier vlekjes er in. Soms lijken die vlekjes nog ledematen te hebben, maar van trotse staande leeuwen is in ieder geval geen sprake meer.

Wat ons nu opvalt, had de essayeur-generaal van de Muntkamer ook opgemerkt. Vandaar dat hij na zijn herbenoeming in 1804 het Schoonhovense gilde een brief zond waarin hij een reden vroeg voor de erbarmelijke staat van het Schoonhovense stadsteken. Het antwoord van de keurmeesters luidde dat zij het snijden van stempels hadden opgedragen aan een gildebroeder wiens geestelijke vermogens en technisch kunnen te wensen overlieten, maar die toch ook aan werk geholpen moest worden. Zonder werk zou hij immers brodeloos worden. Met andere woorden: in Schoonhoven was het snijden van keurtekenstempels een werk van barmhartigheid.

Lang zou dit niet meer duren, want na de invoering van een nieuwe landelijke wet op de keuring van goud en zilver in 1807 kwam hier een einde aan. Het Schoonhovense stadsteken kreeg toen een heel ander uiterlijk, maar daarover meer in de volgende aflevering.


KH17KH18
Schoonhovens Zilver 5

Het Schoonhovense stadsteken 5,

Koninkrijk Holland (1807-1812). Aan het einde van de achttiende eeuw kwam een einde aan de gildetijd. Officieel werden de gilden opgeheven in 1798. Veelal mochten de bestuurders blijven zitten om de lopende zaken en de liquidatie van hun gilde te regelen. Daarnaast moesten zij de bestaande wetten handhaven, voor zover die betrekking hadden op de ‘goede politie’.

Voor de commissarissen van de goud- en zilversmedengilden betekende dat zij het toezicht op de goud- en zilvergehalten bleven uitvoeren totdat een en ander in een nieuwe wet was geregeld. Aan de keurtekens veranderde voorlopig niets. Dat veranderde nadat in mei 1806 de Bataafse Republiek was opgeheven en omgevormd tot het Koninkrijk Holland. Dit nieuwe koninkrijk kenmerkte zich als een centraal geregeerde eenheidsstaat met een uniforme wetgeving. Met ingang van 1 juli 1807 golden een wet en een daarop aansluitend reglement met praktische bepalingen voor de keuring van goud- en zilverwerk.

De opbouw van de nieuwe wet toonde grote overeenkomst met de ordonnantie van 1661 van de Staten van Holland. Primair moest deze wet het goud- en zilvergehalte beschermen, maar daarnaast had ze duidelijk ook een fiscaal karakter. De wet maakte namelijk deel uit van het nationale belastingstelsel van minister van financiën Alexander Gogel uit 1805. Er kwamen landelijk uniforme keurtekens en elke keurkamer kreeg een eigen, ovaal keurkamerteken. Het keurkamerteken voor Schoonhoven bestond uit een ovaal met daarin een ruit.

Schoonhoven1810De invoering van de nieuwe wet en de invoering van de belasting stuitte op verschillende plaatsen op enig verzet. In andere plaatsen gaven de keurmeesters juist een flexibele interpretatie aan de nieuwe bepalingen. Met medeweten van de Schoonhovense keurmeesters werden nieuwe goud- en zilversmeden ingeschreven, waaronder jongens van amper 14 jaar oud. Daarnaast gingen zij makkelijk om met de keurstempels, wat tegenwoordig nog blijkt uit het vele zilverwerk met keurtekens die vlak voor de inwerkingtreding van de wet van 1807 werden gebruikt.

Uiteindelijk interpreteerden de keurmeesters van Schoonhoven de regels zo ruim, dat de minister van Financiën in 1809 besloot de keurkamer van Schoonhoven te sluiten en over te brengen naar Utrecht. Daarmee kwam voorlopig een einde aan het authentieke Schoonhovense stadsteken.
Voortaan zou het Schoonhovense zilver het keurkamerteken van Utrecht dragen. Tot 1 maart 1812 bestond dat uit een ovaal met een dwarsbalk.



Schoonhovens Zilver 6

Het Schoonhovense stadsteken 6, Franse Tijd en Koninkrijk der Nederlanden.

In 1809 was aan het authentieke Schoonhovense stadstreken dus een einde gekomen. De goud- en zilversmeden uit de stad aan de Lek waren voortaan verplicht hun werk in Utrecht te laten keuren. In deze situatie kwam met de inlijving van het Koninkrijk Holland in het Franse Keizerrijk geen verandering. Wat er wel veranderde was de wetgeving op de keuring van goud- en zilverwerk. De Franse Waarborgwet werd van kracht en deze wet droeg de controle volledig op aan ambtenaren. Na vele eeuwen kwamen er geen goud- en zilversmeden aan de keuring te pas. Gelijktijdig met de invoering van de Franse wet werden ook de keurtekens aangepast. Schoonhovens zilver is alleen indirect te herkennen aan deze keurtekens. De werkmeesters van Schoonhoven lieten keuren in Utrecht. Vandaar dat in hun werk het kantoorteken (teken dat aangeeft welk waarborgkantoor een voorwerp gekeurd heeft) van die stad werd afgeslagen. Het kantoorteken bestond uit een bebaarde mannenkop en profil in een cirkel met in het teken de letter M° = Utrecht. Dat stukken uit die tijd Schoonhovens zijn, valt zodoende alleen vast te stellen aan de hand van het meesterteken en dat is meestal geen sinecure.

In 1813 werd Nederland verlost van de Franse bezetting en kreeg het land een nieuwe staatsvorm. Evenals veel andere Franse wetgeving, bleef ook de waarborgwet (op een klein aantal veranderingen na) voorlopig van kracht. Deze veranderingen bestonden uit het herstellen van de goud- en zilvergehalten zoals die voor 1810 hadden gegolden, herinvoering van de jaarletter en het aanpassen van de keurtekens. Het kantoorteken bestond vanaf 1814 uit een Minervakop met in de helm een letter waaruit kon worden afgeleid welk waarborgkantoor het werk gekeurd had. In de eerste jaren bleven de Schoonhovense werkmeesters ingeschreven bij de waarborg in Utrecht en droeg het kantoorteken de B voor Utrecht. In 1824 werden echter de ‘justitiële’ provinciegrenzen gelijkgetrokken met de ‘bestuurlijke’ en ‘viel’ Schoonhoven onder het toezicht van het waarborgkantoor in Rotterdam. Het kantoorteken van Rotterdam droeg de letter D. Evenals in de Franse tijd was de Schoonhovense herkomst alleen te bewijzen in combinatie met het meesterteken, maar in 1837 zou daar verandering in komen.



Schoonhovens Zilver 7

Het Schoonhovense stadsteken 7, weer een eigen teken

Op verzoek van de gezamenlijke zilversmeden werd bij Koninklijk Besluit van 29 april 1837 het waarborgkantoor Schoonhoven gesticht. Na 28 jaar kreeg de stad opnieuw een keurkamer. Er was in die tijd een hoop veranderd en de nieuwe keurkamer viel nauwelijks te vergelijken met de oude. Maar hoe het ook zij, de Schoonhovense goud- en zilversmeden hoefden in ieder geval niet langer met hun werk naar Rotterdam om het daar te laten keuren. Om het nieuwe waarborgkantoor te organiseren werd hoofdcontroleur H.J. Gouche van het Utrechtse kantoor tijdelijk gedetacheerd aan de Lek. Hij zou tot 1842 die post bekleden.

Op 17 augustus 1837 was het zover dat het nieuwe kantoor de deuren kon openen. Vanaf dit moment was Schoonhovens goud- en zilverwerk weer herkenbaar aan het eigen keurteken. Het kantoorteken bestond sinds 1814 uit een Minervakop met in de helm een letter waaruit kon worden afgeleid welk waarborgkantoor het werk gekeurd had. Voor Schoonhoven werd dit de letter M (de voorafgaande 11 letters waren al in gebruik). Gouche kreeg het meteen druk. Hij zorgde voor een grote schoonmaak onder de Schoonhovense meestertekens, waarbij de meeste werden afgekeurd en door andere vervangen.

Hoewel Schoonhoven nu een eigen kantoorteken had, kan het voorkomen dat een voorwerp met een Minervakop met in de helm de letter M niet uit deze stad afkomstig is. Het waarborgkantoor Maastricht, dat nog Zuidnederlandse keurtekens gebruikte, verving die met ingang van 1 maart 1842 door de Noordnederlandse. Vanwege een administratieve fout kreeg dit waarborgkantoor kantoortekenstempels toegestuurd met daarin de letter M. Pas begin 1844 kwam het Muntcollege met schrik tot de ontdekking dat er zodoende geen enkel verschil bestond tussen de kantoorstempels van Schoonhoven en Maastricht die beide de letter M voerden. Dit abuis werd haastig rechtgezet en het kantoor in Maastricht werd de letter N toegekend. Met andere woorden een kantoorteken met de letter M in combinatie met de jaarletter H van 1842 of I van 1843 kan dus Maastrichts zijn. Voorwerpen met die keurtekens en een Maastrichter meesterteken zijn echter tot op heden nog niet aangetroffen.



Schoonhovens Zilver 8

Schoonhoven wordt dé Zilverstad

Terwijl in Amsterdam en Utrecht de eerste zilverfabrieken ontstonden, die machinaal grote hoeveelheden zilverwerk maakten, bleef de Schoonhovense zilverindustrie zich kenmerken door het grote aantal werkmeesters dat de huisnijverheid bedreef. Draaibanken en machines werden er handmatig aangedreven en de eerste plet- of walsmolen voor plaat en draad deed pas rond 1860 zijn intrede. De productie kenmerkte zich door kleinschaligheid en arbeidsintensief handwerk. Gedurende de negentiende eeuw ontwikkel¬de Schoonhoven zich tot het centrum voor streeksieraden en klein zilverwerk.

In de loop van de tijd daalden de prijzen van goud- en zilverwerk. Geleidelijk aan nam de onderlinge concurrentie tussen de ‘patroons’ toe en daalden de lonen. Voortaan gold het credo ‘veel produceren tegen een kleine winst’. Deze manier van produceren vergrootte de nationale bekendheid van Schoonhoven als zilverstad. In die tijd deed vrijwel elke winkelier of kasthouder in Nederland zaken met één of meer Schoonhovense fabrikanten.

In de loop van de negentiende eeuw verdwenen de klederdrachten, waardoor de vraag naar de bijbehorende sieraden afnam. De Schoonhovense fabrikanten moesten op zoek naar andere artikelen. In die tijd nam de buitenlandse vraag naar antiek zilverwerk een grote vlucht. Vooral in Engeland, Amerika en Duitsland was de vraag naar antiek Hollands zilver erg groot. Aanvankelijk konden de zilversmeden aan de vraag voldoen door antieke stukken op te knappen, maar gaandeweg werd de vraag groter dan het aanbod. Hierop begonnen Schoonhovense zilversmeden nieuw zilverwerk maken naar oude modellen en gaven dit werk de naam Oudhollands. Sommige fabrikanten maakten op ten duur uitsluitend nog dit imitatieantiek. Hoewel de populariteit van dit werk in de loop van de tijd verminderde, vindt het tot op heden nog aftrek.

Tot aan de eeuwwisseling waren de werkplaatsen en fabrieken niet groot; de grootste fabriek telde twintig personeelsleden. Het merendeel van de werkplaatsen telde drie tot tien personen. Toch werkte in die tijd bijna eenderde van de Schoonhovense beroepsbevolking in het goud of zilver. Pas aan het begin van de twintigste eeuw groeiden enkele bedrijven uit tot grote bedrijven met meer dan vijftig werknemers. De grootste was Hooijkaas, gevolgd door Niekerk. De toenemende mechanisatie van de zilvernijverheid droeg ertoe bij dat later ook andere bedrijven uitgroeiden tot fabrieken met een zekere omvang.

Tot het einde van de jaren zeventig was Schoonhoven zilverstad bij uitstek. De stad herbergde tientallen ambachtelijke werkplaatsen, ateliers en productiebedrijven, die vrijwel allemaal dezelfde artikelen produceerden. De grote concurrentie leidde tot veel haat en nijd tussen de verschillende fabrikanten. Geregeld wisten de grossiers de fabrikanten tegen elkaar uit te spelen en een slaatje te slaan uit de Schoonhovense na-ijver.
Aan het einde van de jaren zeventig en begin jaren tachtig liep het aantal Schoonhovense bedrijven in de zilvernijverheid sterk terug. Verschillende productiebedrijven verdwenen bij gebrek aan een opvolger, omdat ze zich niet op tijd aanpasten aan de markt of vanwege de grote concurrentie vanuit het buitenland.

In de laatste vijftien jaar is het aantal bedrijven weer toegenomen, waarbij vooral de nadruk ligt op een sterke specialisatie. Dankte Schoonhoven in het verleden haar bekendheid voornamelijk aan het klein zilverwerk en het gietwerk van Oudhollands zilver, tegenwoordig spelen ook het moderne groot zilverwerk en gouden en zilveren sieraden een belangrijke rol.



Schoonhovens Zilver 9

Sluiting van het waarborgkantoor Schoonhovengilde

Vanaf 1837 had Schoonhoven anderhalve eeuw een eigen waarborgkantoor. Het goud- en zilverwerk dat daar gekeurd was, viel te herkennen aan het kantoorteken: de Minervakop met de letter M. De gewijzigde Waarborgwet van 1853, de aanpassingen daarop aan het begin van de twintigste eeuw en opnieuw een nieuwe Waarborgwet in 1953 veranderden daar niets aan.

Twee belangrijke gebeurtenissen waren een reorganisatie van de Dienst van de Waarborg in 1984 en de gewijzigde Waarborgwet van 1986, waarmee de Dienst van de Waarborg als eerste overheidsdienst werd geprivatiseerd.
De privatisering van het keuren van goud en zilver had tot gevolg dat de keuring van goud en zilver werd geconcentreerd in één nieuw kantoor te Gouda. Het waarborgkantoor Schoonhoven mocht tussen 1984 en 1987 nog fungeren als een dependance van Rotterdam (in een kamer in de Hooijkaas-fabriek), maar in 1987 sloot hoofdessayeur J.E.M. Elbertse definitief de deur. Daarmee kwam zowel een einde aan anderhalve eeuw Schoonhovense waarborggeschiedenis, als aan de herkenbaarheid van het Schoonhovense product.

Een aantal Schoonhovense goud- en zilversmeden voorzagen dat de in de loop van de jaren opgebouwde bekendheid van het Schoonhovense zilversmidswerk verloren zou gaan als aan de keurtekens niet langer te zien zou zijn dat het uit de Zilverstad kwam. Zij vroegen de gewezen essayeur van de Waarborg welke maatregelen getroffen konden worden om ook in de toekomst het Schoonhovense zilverwerk als zodanig te kunnen identificeren. De essayeur opperde een belangenvereniging van Schoonhovense goud- en zilverproducenten op te richten. Hij inventariseerde de belangstelling voor het idee en belegde op 21 september 1987 de eerste vergadering. Met enige voorzichtigheid en de nodige scepsis hebben de daar aanwezige goud- en zilversmeden en fabrikanten de vereniging ‘Schoonhovens Goud- en Zilversmidsgilde St. Eloy’ opgericht.

Op schrikkeldag 1988 werden de statuten notarieel vastgelegd en was de officiële oprichting een feit.
Een van de privileges van de gildenleden is dat zij hun eigen werk van het Schoonhovense gildenteken mogen voorzien. Dit teken toont het wapen van de stad met in het midden de letter M, de letter die het Schoonhovense waarborgkantoor gebruikte. Het gilde benadrukt in zijn publicaties dat de letter M staat voor ‘Meesterstad’.